Op welke temperatuur giet u kaarsenwas?
Wie zelf kaarsen maakt, komt vroeg of laat dezelfde vraag tegen: op welke temperatuur moet ik de kaarsenwas eigenlijk gieten?
Een logisch klinkende vraag, maar het antwoord is minder eenvoudig dan één vast getal. De ideale giettemperatuur hangt onder andere af van het soort was, de samenstelling van de blend, of u een glas of een mal gebruikt, de omgevingstemperatuur en eventuele toevoegingen zoals kleurstof en geurolie.
Een sojawas voor geurkaarsen in glazen kan bijvoorbeeld een heel andere verwerking vragen dan een harde pillar wax voor een stompkaars. Zelfs twee verschillende soorten sojawas hoeven niet op exact dezelfde manier verwerkt te worden.
Daarom is het vooral belangrijk om te begrijpen wat de verschillende temperaturen tijdens het kaarsen maken doen.
Smelttemperatuur, mengtemperatuur en giettemperatuur zijn niet hetzelfde
Deze drie temperaturen worden nogal eens door elkaar gehaald, terwijl ze ieder een ander moment in het proces aangeven.
De smelttemperatuur is de temperatuur waarbij de vaste was vloeibaar begint te worden. Dat betekent niet automatisch dat u de was ook op precies die temperatuur moet verwerken.
Bij sommige wassen wordt de temperatuur na het smelten bewust nog verder verhoogd. Bijvoorbeeld om kleurstof volledig op te lossen of om ervoor te zorgen dat de gehele hoeveelheid was gelijkmatig vloeibaar is.
De mengtemperatuur is de temperatuur waarop u bijvoorbeeld kleurstof of geurolie toevoegt. Ook deze temperatuur verschilt per was en soms zelfs per gebruikte toevoeging.
Pas daarna komt de giettemperatuur: de temperatuur waarop de vloeibare was daadwerkelijk in het kaarsenglas of de kaarsenmal wordt gegoten.
Die drie temperaturen kunnen dus behoorlijk van elkaar verschillen.
Een was kan bijvoorbeeld bij circa 45 °C beginnen te smelten, tijdens de verwerking verder worden verwarmd en pas later, nadat deze weer enigszins is afgekoeld, in het glas worden gegoten.
Waarom is de giettemperatuur zo belangrijk?
Tijdens het afkoelen verandert vloeibare was opnieuw in een vaste structuur. De snelheid en gelijkmatigheid waarmee dat gebeurt, hebben invloed op het uiteindelijke uiterlijk van de kaars.
Een verkeerde combinatie van giettemperatuur, temperatuur van het glas of de mal en omgevingstemperatuur kan bijdragen aan verschijnselen zoals:
- frosting;
- luchtbelletjes;
- kuiltjes of krimpgaten;
- scheurtjes;
- een onregelmatige bovenkant;
- slechte hechting aan het glas;
- zichtbare kleurverschillen.
Dat betekent overigens niet dat ieder probleem simpelweg opgelost kan worden door vijf graden warmer of kouder te gieten. De gebruikte was, geurstof, kleurstof en afkoelomstandigheden spelen allemaal mee.
Bij paraffine is krimp tijdens het stollen bijvoorbeeld een normaal verschijnsel. Bij grotere vormkaarsen kan daarom tijdens het stollen een krimpgat rond de lont ontstaan dat later moet worden bijgegoten.
Welke giettemperatuur gebruikt u voor sojawas?
Bij sojawas is het belangrijk om eerst te bepalen of u met containerwas of met een pillar blend werkt.
Containerwas is ontwikkeld voor kaarsen die in een glas of andere container blijven. Pillar wax is harder en bedoeld voor kaarsen die na het uitharden uit een mal worden gehaald.
Voor veel containerwassen op basis van soja ligt de giettemperatuur grofweg ergens tussen 50 en 65 °C. Dat is echter een uitgangspunt en geen algemene regel voor iedere sojawas.
Ook binnen dezelfde grondstof kunnen verschillende blends anders reageren. Kijk daarom altijd naar de productspecificaties van de gebruikte was en gebruik die als vertrekpunt voor uw eigen testen.
En hoe zit dat bij koolzaadwas?
Voor koolzaadwas geldt grotendeels hetzelfde principe.
Er bestaan zachte koolzaadwassen voor geurkaarsen in glazen, maar ook hardere blends voor stompkaarsen, wax melts en decoratieve kaarsen.
Voor veel koolzaad-containerwassen vormt ongeveer 50 tot 65 °C een bruikbaar bereik om vanuit te testen. Pillar blends kunnen een andere, en soms hogere, giettemperatuur vragen.
Kijk daarom niet alleen naar het woord koolzaadwas op de verpakking, maar vooral naar het specifieke product en de toepassing waarvoor de fabrikant het heeft ontwikkeld.
Giettemperatuur bij pillar wax en kaarsenmallen
Bij kaarsen uit een mal ontstaat nog een extra factor: de temperatuur van de mal zelf.
Een koude mal onttrekt direct veel warmte aan de vloeibare was. De buitenzijde van de kaars kan daardoor veel sneller stollen dan het binnenste gedeelte.
Bij sommige pillar blends kan het helpen om de mal vooraf licht te verwarmen. Dat kan bijvoorbeeld gunstig zijn voor het verminderen van frosting of het verbeteren van het oppervlak van de kaars.
Ook de vorm en grootte van de mal, de gebruikte geur, kleurstof en het gewenste eindresultaat spelen een rol.
Wanneer het oppervlak niet naar wens is, is het verstandiger om de giettemperatuur stapsgewijs aan te passen dan grote sprongen te maken. Test bijvoorbeeld telkens met een verschil van 5 tot 10 °C.
Hoe zit het met paraffine?
Paraffine wordt al zeer lang voor kaarsen gebruikt, maar ook hier bestaat geen universele giettemperatuur.
Er zijn zachte en harde paraffines, verschillende smeltpunten en blends voor uiteenlopende toepassingen. Een paraffine voor een gegoten stompkaars hoeft dus niet hetzelfde verwerkt te worden als een paraffineblend voor een andere toepassing.
In het algemeen worden sommige pillar- en paraffinewassen warmer verwerkt dan veel plantaardige containerwassen. Ook hiervoor blijft de productspecificatie leidend.
Bij paraffine is vooral ook de afkoeling belangrijk. Tijdens het stollen krimpt de was. Bij dikke kaarsen kan rond de lont daardoor een kuiltje ontstaan.
Dat is niet noodzakelijk een fout in de was of in uw werkwijze; het hoort gedeeltelijk bij de fysische eigenschappen van het materiaal.
Bijenwas vraagt weer om een andere aanpak
Ook bijenwas heeft zijn eigen karakter.
Bijenwas is van nature harder dan veel containerwassen en heeft een relatief hoog smeltpunt. Daarnaast kunnen samenstelling, herkomst en zuiverheid invloed hebben op de verwerking.
Het is daarom ook bij bijenwas verstandiger om geen universele temperatuur aan te houden. Smelt de was rustig en gecontroleerd en gebruik de aanbevolen verwerkingstemperatuur van het betreffende product als vertrekpunt.
Vooral bij gedetailleerde vormen wilt u voorkomen dat de was al begint te stollen voordat alle kleine delen van de mal zijn gevuld.
Wanneer voegt u geurolie toe?
Hier ontstaat vaak nog meer verwarring.
Online komt u regelmatig adviezen tegen zoals:
“Geurolie moet altijd bij 70 °C worden toegevoegd.”
Of juist:
“Voeg parfum pas vlak voor het gieten toe.”
Beide uitspraken kunnen voor een bepaalde combinatie goed werken, maar zijn geen universele regel.
De geschikte mengtemperatuur hangt af van de gebruikte was én de geurolie.
Gebruik daarom bij geurolie voor kaarsen en waxmelts niet alleen het toegestane geurpercentage als uitgangspunt, maar kijk ook naar de verwerkingsinformatie van de gekozen was.
Meer parfum toevoegen of de olie extreem warm mengen betekent bovendien niet automatisch dat de uiteindelijke kaars sterker zal ruiken.
Heeft de temperatuur van het glas invloed?
Zeker.
Stelt u zich voor dat u was van 60 °C in een ijskoud glas giet. De was die de glaswand raakt, koelt vrijwel direct sterk af terwijl de kern nog warm blijft.
Dat temperatuurverschil kan invloed hebben op de manier waarop de was stolt en aan het glas hecht.
Daarom werken veel kaarsenmakers met glazen die minimaal op kamertemperatuur zijn. In sommige situaties kan licht voorverwarmen helpen bij een gelijkmatiger afkoeling.
Maak de glazen echter niet onnodig heet. Het doel is niet om het glas op dezelfde temperatuur als de was te brengen, maar vooral om zeer grote temperatuurverschillen te voorkomen.
En de kamertemperatuur?
Een aspect dat bij problemen vaak vergeten wordt.
Dezelfde was die in augustus prima verwerkt wordt, kan tijdens een koude winterdag ineens anders reageren.
Een werkruimte van bijvoorbeeld 14 °C geeft een heel andere afkoeling dan een ruimte van 23 °C.
Ook tocht, een koud stenen werkblad of het direct naast elkaar plaatsen van tientallen warme kaarsen kan het koelproces veranderen.
Wanneer u professionele en reproduceerbare resultaten wilt, noteer daarom niet alleen de temperatuur van de was, maar ook de omstandigheden waaronder u heeft gewerkt.
Frosting bij sojawas: ligt dat altijd aan de temperatuur?
Nee.
Frosting is vooral bekend bij natuurlijke wassen zoals soja. Het manifesteert zich als witte of lichtere kristalachtige plekken op het oppervlak.
Temperatuurmanagement kan helpen om frosting te beperken, maar het volledig voorkomen ervan is niet altijd mogelijk. Ook de gebruikte kleurstof, geurstof, mal en snelheid van afkoelen hebben invloed.
Behandel frosting daarom niet direct als bewijs dat u iets fout heeft gedaan.
Slechte glashechting
Een ander bekend verschijnsel zijn natte of lichtere plekken langs de glaswand.
Vaak lijkt het alsof er vocht tussen de was en het glas zit, maar meestal betreft het plekken waar de was plaatselijk van het glas is losgekomen.
Temperatuurverschillen tijdens het afkoelen kunnen daarbij een rol spelen.
Zorg daarom dat glazen schoon en droog zijn, werk niet met ijskoude containers en laat de kaars rustig afkoelen.
Ook hier geldt: een andere giettemperatuur kan het resultaat verbeteren zonder dat er één temperatuur bestaat waarmee ieder glas en iedere was altijd perfect hecht.
Houd een eenvoudig testlogboek bij
Dit is misschien wel de nuttigste tip uit deze hele blog.
Wanneer een eerste kaars niet helemaal naar wens is, verander dan niet tegelijkertijd de giettemperatuur, hoeveelheid geurolie, lont, kleurstof én de temperatuur van het glas.
Dan weet u achteraf namelijk nog steeds niet waardoor het resultaat verbeterde of verslechterde.
Test liever bijvoorbeeld:
- Test 1: 55 °C
- Test 2: 60 °C
- Test 3: 65 °C
Houd de overige omstandigheden zoveel mogelijk gelijk en vergelijk daarna het resultaat.
Noteer bijvoorbeeld:
- gebruikte was;
- percentage geurolie;
- kleurstof;
- temperatuur waarop geur is toegevoegd;
- giettemperatuur;
- kamertemperatuur;
- type glas of mal;
- eindresultaat na 24 en 48 uur.
Op die manier ontwikkelt u uiteindelijk uw eigen betrouwbare recept voor iedere combinatie.
Dus: wat is nu de ideale giettemperatuur?
De beste giettemperatuur is de temperatuur waarbij uw specifieke was, in combinatie met uw glas of mal en eventuele toevoegingen, het beste resultaat geeft.
Voor veel soja- en koolzaad-containerwassen ligt een praktisch startgebied ongeveer tussen 50 en 65 °C, maar behandel dit niet als een vaste regel. Voor pillar wax, paraffine, bijenwas en speciale waxblends kunnen andere temperaturen nodig zijn.
De technische productinformatie van de gebruikte kaarsenwas blijft daarom altijd het uitgangspunt.
Begin met de aanbevolen temperatuur van de fabrikant en maak vervolgens een kleine test. Is het resultaat niet goed? Verander de temperatuur dan in kleine stappen en houd de overige factoren zoveel mogelijk gelijk.
Juist daarin zit een groot deel van het vakmanschap van kaarsen maken. Soms maakt een verschil van slechts enkele graden het verschil tussen een kaars met een onrustige afwerking en precies het resultaat waar u naar op zoek was.